Iran is een doodlopende staat

De wereld bereidt zich stilaan voor op een gewapend conflict tussen Iran en de geallieerde machten van het Westen, de Arabische landen en Israël. Gie Goris bezocht Teheran en Isfahan en praatte er met gewone Iraniërs –als die zouden bestaan in een land met zo een bijzondere bevolking– over de oorlogsdreiging, de economische crisis en de nakende verkiezingen. Een verslag over een manisch-depressief land in vijftien portretten. Niemand wordt bij naam genoemd en al wie op de foto’s te zien is, komt niet voor in de verhalen. Big Mollah leest immers mee.

  • Gie Goris

De werkloze vrouw en haar demonen

Ze neemt bijna onmiddellijk de telefoon op en, ja, ze is graag bereid me te ontvangen. Ze heeft namelijk veel te vertellen. Ze ze zal me later terugbellen om te zeggen waar en wanneer we elkaar ontmoeten.

Vier uur later. De blauwe gasvlammetjes likken aan de kunsthouten blokken in de artificiële open haard. Ze serveert meteen roomsoezen, chocoladetaartjes en thee. En sterke verhalen. Haar familiegeschiedenis wettigt een mentale vendetta tegen het islamitische regime, vindt ze. Moeder vermoord en verkracht, vader verdwenen, zelf een Berufsverbot van dertig jaar gekregen, de bijna voltallige familie geëmigreerd.

‘In dit gebouw woont de tweede vrouw van een hoge geestelijke. Als ik haar zie pronken met juwelen, dan is het duidelijk waar al die gulle giften van de gelovigen naartoe gaan.’

Zij is achtergebleven, met een kind en een kleinkind. En vooral met angst, heel veel angst. Dat ze ditmaal voor haar komen, dat ze op een dag weggevoerd wordt en niet meer voor die paar mensen kan zorgen die haar dierbaar zijn. ‘Ik ga nooit meer uit’, zegt ze. ‘De enige verplaatsing die ik maak is vanuit dit huis naar een ander huis, bij betrouwbare vrienden, en terug. Wees altijd op je hoede in Iran en zeg nooit iets waarvan je spijt kan krijgen.’ Waarna ze de voltallige clerus en hun politieke satrapen verkettert en voor hypocriet uitscheldt. ‘In dit gebouw woont de tweede vrouw van een hoge geestelijke. Als ik haar zie pronken met juwelen, dan is het duidelijk waar al die gulle giften van de gelovigen naartoe gaan.’

Ze weet niet wat er met haar ooit zo dierbare vaderland gebeurd is, waarom onverdraagzaamheid wet en talent verdacht geworden is. ‘Toen we nog vrij waren’, zegt ze, en daarbij veegt ze een denkbeeldige hoofddoek krachtig van haar geblondeerde haren. Toen de Iraniërs nog vrije mensen waren, lag de toekomst wijd open. Vandaag is alles op slot. De gedachten, de tewerkstellingskansen, de grenzen. Wie wil er nu nog een Iraanse opvangen die niet langer kan leven met de voortdurende verboden en controles? Zo zijn er immers tientallen miljoenen.

Ze heeft het gevoel dat ze in een permanente boksmatch met de overheid en haar politiediensten verwikkeld is. Maar het is geen gelijke strijd. Zij probeert niet te slaan, maar de slagen van het systeem te vermijden. Ze heeft tijdens de dagen van de Groene Revolutie in 2009 uit volle borst mee Allah-oe-Akbar geroepen, elke avond. De straat- en dakprotesten werden echter gesmoord door de repressie tegen de leiders, de activisten en zelfs de toevallige voorbijgangers.

‘Nooit meer’, antwoordt ze op de vraag of ze dat bij een volgende gelegenheid opnieuw zou doen. ‘Het heeft toch geen ene moer geholpen. Karroubi en Moussavi zitten opgesloten in hun eigen huizen, talloze mensen verwenen achter de tralies, er vielen doden, en Ahmadinejad zit nog altijd op de presidentiële stoel.’ Zou ze diezelfde, nukkige verwerping van politiek engagement volhouden als het tot een oorlog komt? Of zou ze dan toch opnieuw de straat opgaan, voor of tegen haar eigen regering, voor of tegen de westerse agressie? ‘Als de oorlog komt, blijft iedereen thuis’, zegt ze beslist.

Voordat we afscheid nemen, geeft ze me nog een eerste les in het ontwijken van de alomtegenwoordige internetcensuur. Talloze nieuwssites en sociale netwerksites worden immers geblokkeerd omdat ze “het regime ondermijnen”. Maar dat is voor de technologisch geavanceerde Iraniërs geen onoverkomelijk probleem. Er zijn programma’s die de overheidsfilters omzeilen en je moeiteloos tot bij de gewenste inhoud brengen. Autoritaire regimes hebben wel eens vaker het effect dat ze de creativiteit stimuleren. Anno 2012 heb je voor dat creatieve verzet een paar apps en snel gedownloade programma’s nodig.

De puber en zijn waterpijp

‘Als het nodig is, zullen wij alles doen, zelfs ons leven geven, om het belang van het land en de Opperste Leider te verdedigen.’ De zeventienjarige die dat orthodoxe politieke standpunt debiteert, heeft net een rookwolk om zich heen geblazen. De waterpijp wordt doorgegeven in een kringetje pubers die experimenteren met sterke uitspraken en ander grensoverschrijdend gedrag. ‘Hij is de enige die er zo over denkt’, verzekeren zijn makkers me. ‘Wij gaan helemaal nergens heen als er oorlog komt. De Opperste Leider kan ons gestolen worden.’

De ingenieur zonder toekomst

‘Ik maak me zorgen.’ Ik loop met een jonge ingenieur over de drukke voetpaden van centraal Teheran en hij opent het gesprek op een sombere noot. De fabriek waar hij werkt, ondervindt steeds meer moeilijkheden met het importeren van noodzakelijke grondstoffen en onderdelen omdat westerse en Arabische landen Iran steeds meer isoleren. En net op de dag dat we elkaar ontmoeten, stemt Europa in met een olie-embargo en het bevriezen van de tegoeden van de Iraanse Centrale Bank.

‘Het is een fout van onze regering om de confrontatie met het Westen op te zoeken, maar wij betalen de rekening. De bestaande en de bijkomende sancties hebben een direct impact op mijn leven’, zegt hij. De economische onzekerheid vertaalt zich in werkonzekerheid en precaire vooruitzichten. Half januari kreeg je in de informele sector 13.000 rial voor een dollar, eind januari is die koers gekelderd tot 20.000 rial en meer. Al die onzekerheid zit als een gesloten grendel op zijn toekomst.

‘Ik kan daar niets aan veranderen. Gewone mensen worden verplicht om toeschouwer te zijn van hun eigen toekomst.’

‘Mijn moeder wil dat ik nu eens eindelijk ga trouwen, maar ik kan de verantwoordelijkheid voor anderen niet dragen op dit moment. Ik weet niet of ik over een half jaar nog een inkomen heb. Of misschien is daartegen de oorlog wel uitgebroken.’ Het klinkt allemaal erg fatalistisch. Hij heeft scherpe kritiek op de overheid, maar zucht daarbij bijna ritueel: ‘Ik kan daar niets aan veranderen. Gewone mensen worden verplicht om toeschouwer te zijn van hun eigen toekomst.’

‘Mag ik je eens een vraag stellen?’ De normaal erg drukke Valiasr Street ligt er opvallend verlaten bij. Dat komt niet, zoals ik suggereer, door het barre winterweer, maar door de crisis. Alles wordt snel duurder en dus kunnen zelfs mensen met een vast inkomen én een bijbaantje de eindjes niet langer aan elkaar knopen. De enige oplossing is knippen in de uitgaven, dat weet hij zeker. Maar nu wil hij een vraag stellen: ‘Wat moet ik denken van de hele nucleaire kwestie?’

De vraag is, een paar dagen voordat een nieuwe inspectiemissie van het Internationaal Atoomagentschap (IAEA) in Teheran arriveert, niet uit de gesprekken met Iraniërs weg te branden. De ingenieur heeft het gevoel dat zijn eigen regering liegt over het einddoel van het programma –‘Ik ben er bijna zeker van dat ze een atoomwapen willen produceren’- maar anderzijds begrijpt hij niet waarom Iran geen nucleaire energie of verrijkingsprogramma zou mogen hebben, net zoals alle landen van de wereld. Het dilemma leeft bij heel veel mensen.

Hun nationalisme –de Perzische trots wil een grote natie, niet een tweederangsrol die geschreven wordt in Washington-, de commerciële belangen en het diep wantrouwen tegenover de eigen machthebbers botsen voortdurend in de hoofden van de Iraniërs. ‘Wij hebben die bom niet nodig’, besluit hij. ‘Maar waarom vindt men het wel aanvaardbaar dat Israël, Pakistan, India, China en de westerse landen een atoomwapen hebben?’

De zanger en de waanzin

Ik drink thee uit een plastic bekertje, op een bank in het Mellat Park onderaan het standbeeld van Amir Kabir, een hervormingsgezinde eerste minister uit het midden van de negentiende eeuw die geëxecuteerd werd op bevel van de toenmalige sjah. Mellat betekent volk, maar een echte volkstoeloop is er niet vandaag, ook al is het een religieuze feestdag en een officiële vrije dag. De negende imam, de zoon van de immens populaire Imam Reza, wordt vandaag herdacht. Een religie met twaalf heilige imams heeft zo zijn voordelen voor de werkende mens.

Een frisse zeventiger komt naast me zitten, plooit zijn handen open naar de genadige zon, sluit zijn ogen en zucht. Wanneer hij enkele minuten later terugkeert naar de wereld waarin ik naast hem zit, zegt hij ongevraagd: ‘Alle mensen in dit land liegen.’ Ik krijg een breed uitgemeten parabel om die openbaring begrijpbaar te maken. ‘Zoals kinderen die een glas water omstoten en tegen hun moeder zeggen dat de poes het gedaan heeft, zo liegen wij tegen elkaar. Uit angst. Uit angst voor elkaar, voor de regering en haar controletroepen, of voor een verre en straffende god.’

Zijn vrijheid, zegt hij, zit in zijn hoofd. Hij wrijft over zijn kale schedel. Zijn verhaal klinkt in vertaling nog het best zoals Willem Kloos het ooit verwoordde: ‘Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten.’ De winterzon inspireert hem tot een lied, dat met de nodige tremelo’s en glissandi a capella gebracht wordt: ‘Wie zich bewust is van de wereld, leeft met droefheid in het hart, overal ter wereld. O kom hier en wordt gek. De waanzin is een ander woord voor liefde en vreugde.’ De tekst is niet afkomstig van Hafez, Irans dichter voor goede en kwade dagen, maar van Shahriar. Ik vergeet te noteren welke Shahriar.

De klimmer die reikt naar de maan

Er wordt wel meer gezongen en geciteerd in Iran. De echte religieuze extremisten hebben het niet getroffen in Iran, een land waar poëzie, muziek, cinema, dans en visuele kunsten in alle lagen en uithoeken van de bevolking geapprecieerd worden.

Schoonheid in al haar vormen –religieus, maar ook erotisch of gewoon utilitair- staat heel hoog aangeschreven in Iran. De verplichting om alles wat echt vrouwelijk is te verbergen in verhullende kledij botst dan ook met de behoefte van Iraanse vrouwen –zeker in een grootstad als Teheran- om zich te tonen.

Schoonheid in al haar vormen –religieus, maar ook erotisch of gewoon utilitair- staat heel hoog aangeschreven in Iran.

De controle op die kledingvoorschriften verloopt met getijden. Nu eens is het vloed, en dan mag er geen kous zichtbaar zijn en geen jongen in de nabijheid van een meisje. Dan is het weer eb, en niemand weet waarom de getijden er zijn of hoe lang ze duren. Vandaag is het in Teheran duidelijk eb. Er zijn natuurlijk vrouwen in de allesbedekkende chador, die alleen het gezicht vrij laat. Maar ik zie opvallend veel hoofddoekjes die gevaarlijk ver naar achter hangen, zodat er nauwelijks nog een knotje aan de ogen van de mannen onttrokken wordt.

Het alternatief voor de chador, een lange brede mantel die in het Farsi gewoon manteau heet, is ook al gekrompen tot ver boven de knieën. En de couturiers hebben de snit heel nauw naar de lenden toegesneden. Dat de gezichten van de meisjes onder het poeder, de lippenstift en de oogschaduw zitten, is niet mijn idee van schoonheid, maar het slaat duidelijk aan bij de andere helft van de bevolking, die ook steeds minder gehinderd wordt door decreten tegen het gebruik van haargel of het dragen van T-shirts met korte mouwen.

Een van de twintigers waarmee ik een voormiddag rond de Tochal, een berg van bijna 4000 meter, ten noorden van Teheran, ga wandelen, wordt zowaar lyrisch van al die voorbijwandelende schoonheid. ‘I never dared to reach for the moon’, zingt hij mee met Nana Mouskouri op zijn mobieltje. Ik voel dat de aandrang groot is. ‘I’d neven known I’d see heaven so soon.’

Hussein en de vrijheid van religie

Het is een komen en gaan van bussen aan het Tajrish plein. Tussen het busstation en de moskee van Imam zadeh Saleh voert een groepje oudere mannen het verhaal van de slag van Kerbala op. Imam Hussein, de derde Imam, kleinzoon van de profeet en geliefde zoon van Ali, werd daar in 680 gedood in een heroïsch gevecht met Ummayieden-troepen, de behoeders van wat later de soennitische traditie van de islam zou worden.

Het schema van het straattheater is zelfs voor een analfabete kijker als ik makkelijk te volgen: Hussein en zijn medestanders zijn in groen uitgedost, de vileine Ummayieden in het rood –één strijder heeft een Arabische keffiye om, zodat de betekenis van het oude religieuze verhaal voor actuele tweestrijd tussen Iraniërs en Arabieren niemand kan ontgaan. Enkele in chadors gehulde besjes die het toneeltje bijwonen, zijn zodanig ontroerd, dat ze in tranen uitbarsten. Het sji’isme is een heel emotionele religie, die ook mannen uitnodigt om luidruchtig te treuren en te wenen om het wrede lot dat Imam Hussein onderging.

De echte Hussein die ik later die dag spreek, heeft geen al te beste ervaringen met Europeanen. Maar bij een kopje thee wil hij graag even van gedachten wisselen over de relaties die zijn land met de rest van de wereld onderhoudt. Hij is een en al wetenschappelijke afstandelijkheid, al weet ik natuurlijk niet hoe hij zich in de heilige maand Moharram gedraagt, als de moord op Hussein herdacht wordt. Een van zijn vrienden werpt op dat de problemen van Iran veroorzaakt worden door de uit haar oevers getreden religie. De politieke mollahs zijn hét probleem, zegt hij uitdagend.

‘Ik denk dat religie onmisbaar is voor een land, maar het zou wel een vrije keuze moeten zijn.’ En dat is in Iran niet het geval, dat beseft en betreurt hij.

Hussein is het daarmee niet eens. ‘Ik denk dat religie onmisbaar is voor een land, maar het zou wel een vrije keuze moeten zijn.’ En dat is in Iran niet het geval, dat beseft en betreurt hij. Het zou niet mogen dat mensen verplicht worden deel uit te maken van een godsdienst, het zou zeker niet mogen dat mannen en vrouwen allerlei uiterlijke geboden en verboden over zich heen krijgen uit naam van die verondersteld gemeenschappelijke religie. Want op die manier wordt de smaak en de overtuiging van een kleine groep machthebbers verheven tot goddelijke status, en dat is juist nadelig voor de religie zelf.

Toch wil Hussein niet zomaar een steen gooien in de richting van de basij [vrijwilligers van de revolutie, die hun status ontlenen aan hun inzet in de oorlog tegen Irak van 1980 tot 1988] en de revolutionaire wachten, die instaan voor de concrete afdwinging van de vervloekte verboden en geboden. ‘In oorsprong waren de basij een uitstekende zaak’, zegt hij. ‘Zonder hen hadden we nooit de oorlog tegen Irak kunnen winnen.’ Hussein vermeldt de tienduizenden gesneuvelde jongens niet die met een sleuteltje in de hand het slagveld opliepen om het met hun leven te ontmijnen. Ze geloofden vast dat ze de poorten van het paradijs zouden kunnen openen als ze sneuvelden onder Iraaks geschut of op Iraakse mijnen.

Uiteindelijk, zegt Hussein, is onvrijheid wel een probleem, maar niet het grootste. ‘Wat ons allemaal het meest bezighoudt deze dagen, is de economie. Dit land gaat naar de haaien als de rest van de wereld ons steeds meer isoleert.’

De mensen zijn monddood maar goed geïnformeerd

‘Er is geen alternatief meer’, zegt hij, wijzend op de kleine graffitiboodschappen op het hek rond het omroepgebouw: ‘Weg met de Groene Revolutie. Weg met Moussavi.’ Aan de ingang van de enorme compound staan twintig vierkante meter affiches met portretten van de alomtegenwoordige ayatollah Khomeini en ayatollah Khamenei, respectievelijk de eerste en de huidige Opperste Leider. ‘De herinnering aan u staat altijd in mijn hart geschreven’, is de bijhorende boodschap maar ze is naar verluidt wel wat poëtischer gesteld.

‘Moussavi, Karroubi, Khatami: ze zijn allemaal monddood gemaakt. De hele samenleving is gemuilkorfd door een regime dat alle informatie op de maat van haar eigen behoeften knipt.’ Je hoeft geen dagen aan je televisietoestel gekluisterd te zitten, om te beseffen dat de overheid er inderdaad alles aan doet om een wereld te construeren die haar gelijk op verpletterende wijze bewijst.

‘De hele samenleving is gemuilkorfd door een regime dat alle informatie op de maat van haar eigen behoeften knipt.’

Alleen is dit de eenentwintigste eeuw. Om de dodelijke saaiheid en leugenachtigheid van de staatszenders te vermijden, installeert Reza en klein pierke een schotelantenne, waarmee ze de Iraanse zenders vanuit Californië volgen, of internationale zenders zoals BBC.

En als ik mijn gesprekspartner ’s avonds vraag of ik even via zijn laptop op Facebook kan, is dat maar een woord en een kwestie van zestig seconden. De bevolking is met andere woorden veel minder onwetend dan ze zelf voorhoudt, maar dat maakt haar niet minder onmachtig.

De schrijfster danst

‘Ik wil dansen. Uitdrukken wie ik ben en wat ik denk door te bewegen. Niet dat ik droom van een podium en publiek, ik wil gewoon dansen voor mezelf.’

Ze kwam de kamer binnen met de presence van een doorwinterde actrice maar met de onbevangen blik van de twintigjarige die ze is. Ze heeft ongetwijfeld het talent en de kracht om haar droom te realiseren, en achter het gordijn van de schaamte wacht ongetwijfeld wél de droom van een prachtig podium en een enthousiast publiek. Alleen woont ze in het zuiden van Teheran, het armere en meer conservatieve deel van de stad dat vaak omschreven wordt als de machtsbasis van president Ahmedinejad. Al is de simpele opdeling tussen noord en zuid, anti- en pro-regime te zwart-wit voor een ingewikkelde samenleving als de Iraanse.

‘Is dat niet te combineren? Poëzie met proza, en dat samen vormgeven in hedendaagse dans. Dat zou toch prachtig zijn?’

Ze praat niet met haar ouders over haar droom. Ze heeft een hele goede band met haar vader en die wil ze niet in gevaar brengen. Neen, haar vader is helemaal niet het prototype van de ongenadige pater familias die meer belang hecht aan standvastigheid in het geloof dan aan het geluk van zijn kinderen, ‘maar je weet hoe de mensen zijn’. De familie, de buren, de andere mannen in de moskee: als zij zouden beginnen praten over zijn dochter, dan wordt het voor hem onhoudbaar. Dans heeft namelijk een slechte naam. Ze probeert het uit te leggen, maar zelfs in het Perzisch is het moeilijk om te zeggen dat dans gezien wordt als een onfatsoenlijk beroep, iets voor vrouwen van lichte zeden.

Schrijven is beter. Dat doe je thuis, achter gesloten deuren. Een schrijver heeft aanzien in Iran. En het is niet verboden door de wetten van het land. Daarom wou ze al van jongsaf schrijfster worden. Maar nu vraagt ze: ‘Is dat niet te combineren? Poëzie met proza, en dat samen vormgeven in hedendaagse dans. Dat zou toch prachtig zijn?’ In haar ogen gaan de spots al aan en schuift het gordijn open.

Een eenzaam volk

‘Er is een hele ondergrondse wereld, met eigen informatiekanalen, eigen artistieke voorstellingen en eigen feestjes’, zegt hij. We stappen een anonieme portiek binnen in een drukke straat, en komen terecht in een sobere ruimte die baadt in het licht van de late namiddag dat door de grote, bijna gothische ramen op de kale muren valt. De muren hebben het patina van vele jaren “ondergrondse” gesprekken: de kleur van nicotine heeft het pleisterwerk gemarmerd tot de perfecte omlijsting van de grote, dikhouten tafel waaraan ons gesprek verdergezet wordt.

De vanzelfsprekende waarheid –dat de mooiste en boeiendste plekken van een stad niet in de reisgidsen staan- is in Teheran nog meer van toepassing dan elders

De vanzelfsprekende waarheid –dat de mooiste en boeiendste plekken van een stad niet in de reisgidsen staan- is in Teheran nog meer van toepassing dan elders. Later diezelfde dag beland ik via de toonzaal van een meubelwinkel in een linkse koffiebar. De codes en het decor van dit soort gelegenheden is minstens zo geglobaliseerd als dat van de hamburgerketens. Dikke boeken in de rekken, zwart-wit foto’s in kaders die zo van de Vossenmarkt kunnen komen, echt lekkere koffie en een soundtrack die vertrekt van de Mauthausen-liederen door Maria Farantouri over de klassiekers van Mercedes Sosa tot een enthousiaste versie van De Internationale.

De ondergrondse scene van Teheran is niet clandestien op de tweede-oorlogse manier die we ons herinneren uit films en romans. De deur staat gewoon open en als je er niet in geraakt, is dat niet omdat je het paswoord niet kent, maar gewoon omdat de zaak vol zit. Tegelijk is het zeker niet conform de wet wat er gebeurt: mannen en vrouwen die samen iets komen drinken, alsof dat niet tegen de zedelijkheid zou zijn. Zodra de overheid besluit om de schroeven weer eens wat aan te draaien, staat dit soort gelegenheden bovenaan de to-do-list van de Basij, de gevreesde vrijwilligersmilitie die onder het commando staat van de Revolutionaire Wachten –een parallel leger van zo’n 125.000 voltijdse paramilitairen, dat aangestuurd wordt door de religieuze Opperste Leider, niet door de verkozen regering. Die laatste heeft haar eigen leger.

Maria Farantouri zet Asma Asmaton in, het Hooglied uit de Mauthausencyclus van Mikis Theodorakis. ‘Meisjes van Mauthausen / Meisjes van Belsen / Hebben jullie mijn liefste niet gezien / We zagen haar huiverig op dat plein / Met een nummer op haar blanke arm / En met een gele ster / Op de plaats van haar hart’, zingt ze volgens de vertaling van Lennaert Nijgh. Intussen zegt het mooiste meisje van de stad: ‘Wij zijn een eenzaam volk. Onze eigen regering kijkt niet naar ons om en de rest van de wereld trekt zich niets van ons aan.’

Dat de Iraanse regering niet naar haar bevolking omkijkt, is natuurlijk niet waar. Ze kijkt voortdurend toe of iedereen zich wel gedraagt conform haar regels. Leren laarzen mogen niet, dus moest ze haar broekspijpen over haar laarzen doen voor ze de universiteitscampus op mocht. De hijab moet natuurlijk wel, dus houdt ze altijd in de gaten of er zedenpolitie in de buurt is, want dan moet haar zwarte sjaaltje –dat zo vaak herschikt en opgelicht wordt, dat het binnen de kortste keren versleten moet zijn- echt tot op haar voorhoofd aangetrokken worden.

En dat de rest van de wereld niets doet, klopt ook niet. Wat ze bedoelt is: de sancties en het internationale isolement treffen de regering en haar economische elite niet, terwijl ze het leven van de gewone burgers een stuk moeilijker maken. ‘Nog voordat de nieuwe Europese sancties van kracht worden, stegen de prijzen van melk, brood, olie. Wie betaalt dat, denk je? En waarom doet Europa ons dat aan?’

Er is aan het kleine tafeltje geen gram begrip voor de embargo- en sanctiepolitiek van het Westen. Een andere jonge vrouw, die werkt in een privé-bedrijf dat tapijten produceert en exporteert naar wel dertig landen, drukt het kernachtig uit: ‘In plaats van meer isolement, hebben wij behoefte aan meer internationale culturele centra, aan meer uitwisseling van mensen en ideeën. Europa moet zich niet terugtrekken uit Iran en Iraniërs weren uit Europa, het tegendeel zou veel effectiever zijn.’ Het feit dat Frankrijk zijn cultureel centrum in Teheran gesloten heeft wordt door het gezelschap dan ook aangevoeld als een vorm van verraad. Ze voelen zich in de steek gelaten. Overgelaten aan een regering die meer macht dan ooit heeft over het dagelijkse leven en de toekomst van haar bevolking. En dat stemt weinig mensen optimistisch.

‘Wij denken niet aan de toekomst,’ zegt de tapijtenverkoopster, ‘wij maken er ons zorgen over.’

‘Wij denken niet aan de toekomst,’ zegt de tapijtenverkoopster, ‘wij maken er ons zorgen over.’ Na de korte stilte die op zoveel waarheid volgt, voegt iemand stilletjes toe: ‘En dan lopen we ervan weg.’

De toekomst zou oorlog kunnen brengen. Vrezen ze. Maar daar willen ze dus niet aan denken. Hun ouders hebben een vreselijke vergissing begaan door de revolutie in handen te geven van de Islamitische Republiek, dat weten ze zeker. Maar daaraan denken helpt vandaag niet meer. En in het heden zit alles vast. ‘Natuurlijk willen we verandering. We hebben er in 2009 ook alles aan gedaan om die te realiseren. Deelgenomen aan verkiezingsbijeenkomsten. Gaan stemmen. Gedemonstreerd in de straten, op gevaar voor eigen lijf en leden. Opnieuw betoogd. En wat heeft het opgeleverd? Op wie kunnen we rekenen als we opgepakt worden?’

Het klinkt als fatalisme en ik hoor die klank hele dagen in Teheran. Jonge mensen zijn zo teleurgesteld dat ze zich terugtrekken op hun eigen leven. Maar omdat het regime zich tot in de details met dat persoonlijke leven bemoeit, is ook dat politiek. ‘Liefde is politiek. Dansen is politiek. Poëzie is politiek.’ Er zijn zelfs auteurs die beweren dat de obsessie van Iraanse vrouwen met hun neus –nergens ter wereld worden zoveel neuscorrecties uitgevoerd als in Iran- een vorm van politiek verzet is: midden in het aangezicht, het enige deel van hun lichaam dat vrouwen op straat mogen tonen, wordt demonstratief getoond dat de mens zijn eigen meester is.

Hafez: ‘Als je situatie vandaag uitzichtloos is, maak je dan geen zorgen. Morgen zal alles beter worden.’

Als de thee en het heerlijke gebak afgeruimd zijn en alleen de kruimels van een gesprek vol doem en onmacht nog op de tafel liggen, staat de vertegenwoordigster van de industrieel vervaardigde Perzische tapijten op, loopt naar de muur, en komt met een dik boekwerk terug. De Divan van Hafez, een mooi uitgegeven verzamelwerk van Irans populairste dichter.

Ik moet het boek openslaan en zij leest opgelucht voor: ‘Als je situatie vandaag uitzichtloos is, maak je dan geen zorgen. Morgen zal alles beter worden.’ Het gedicht is gebaseerd op het bijbelse verhaal van Jozef die door zijn broers verkocht wordt, maar uiteindelijk toch terugkeert naar huis. Nadat ze enkele regels voorgelezen heeft, legt ze haar hand over de tekst en gaat het gezelschap unisono –bijna zingend- verder met reciteren. Het ritueel heeft zijn rol gespeeld: de banden zijn aangehaald, het gemoed gesust, de suprematie van de Perzische cultuur aangetoond. Kunnen we toch nog met een aangenaam gevoel de nacht in.

De federalist is hoopvol

‘Jonge mensen weten niet meer van waar een oplossing voor hun uitzichtloosheid kan komen. Ze hopen alleen nog op een mirakel.’ Hij zegt het rustig, niet verwijtend. Zelf heeft hij genoeg jaren en ervaringen achter de kiezen opdat de hoop wat minder makkelijk weg te blazen is door de stormtroepen van wat hij onverkort als een fascistisch regime, gecontroleerd door de Revolutionaire Wachten, omschrijft.

‘Je voelt dat er strijd is binnen het regime, nu de oppositie uitgeschakeld is en de mensen gemuilkorfd. Op dit moment zijn we toeschouwers van een spektakel dat achter gesloten doek wordt opgevoerd. Ik hoop dat de verkiezingen van 2 maart zo slecht zullen lopen, dat het doek opengaat en dat we dan de kans krijgen om medespeler te worden. Misschien kunnen we van de interne tegenstellingen gebruikmaken om openingen te forceren en verandering te creëren.’

‘Iran is zo divers dat we af moeten van de idee dat één wet of één morele benadering kan gelden voor iedereen en overal.’

Hoe die verandering er moet uitzien? ‘Iran is zo divers dat we af moeten van de idee dat één wet of één morele benadering kan gelden voor iedereen en overal. Een federaal land, waarin veel meer ruimte is voor bijvoorbeeld onderwijs in de eigen taal en voor de culturele eigenheid van mensen, zou veel problemen kunnen opvangen.’

Ik zoek het later op. 51 procent van de Iraniërs is Perzisch. Andere etnisch-linguïstische groepen zijn Azeri’s (24%), Gilaki en Mazandarani (8%), Koerden (7%), Arabieren (3%), Baloetsjen (2%), Loren (2%), en Turkmenen (2%). Zelfs op religieus vlak is de homogeniteit veel minder groot dan meestal gedacht. 89 procent van de Iraniërs is weliswaar sjiitisch, maar binnen die gemeenschap bestaan heel verschillende stromingen, met name wat betreft de rol die religie in de staatsinrichting en –bestuur moet spelen. Daarnaast is 9 procent –vooral Koerden, Baloetsjen, Turkmenen en Arabieren- soennitisch en is twee procent christen, jood, zoroastriër of baha’i –al wordt die laatste categorie door de grondwet niet erkend en wordt iedereen waarvan geweten is dat hij het baha’i-geloof aanhangt, vervolgd.

‘Gelukkig heeft de Islamitische Revolutie ervoor gezorgd dat het aanzien en de invloed van de mollahs en ayatollahs sterk getaand is’, zegt de anarchist-in-hart-en-nieren. ‘Nadat de Opperste Leider in 2009 voluit de kaart van Ahmadinejad trok, is zelfs zíin positie niet langer onaantastbaar.’

De groeiende minachting voor macht en gezag, dat geeft hem nog het meeste hoop. Al ligt er aan de andere kant van de kooi een land dat de meeste mensen niet kennen, en dat sommigen dan ook ongerust maakt. Vrijheid is een woord in de verleden tijd en hoe het in de eenentwintigste eeuw, in Iran geschreven moet worden, weet eigenlijk niemand meer. Maar dat maakt het verlangen ernaar niet kleiner.

De fitness-man kan niet aan de zijlijn blijven staan

Vrijdagochtend op het Imam Khomeiniplein in Isfahan. Het immense plein met centraal een partij symmetrische fonteinen, twee juwelen van Safavidische architectuur – de Sjeik Lotfollah moskee en de Imam moskee- en het zeventiende-eeuwse Ali Qapu paleis, is nog zo goed als leeg. Op een handvol geüniformeerde en gewapende bewakers na. De omgeving van de Imam moskee is afgezet en wordt klaargemaakt voor het vrijdaggebed. Enorme matten worden uitgerold, een gemeentewerker gaat erover met een blarenblazer om het stof te verwijderen, stalletjes met religieuze en politieke literatuur worden opgezet.

Stilaan verschijnen meer en meer mannen in maatpakken en “onopvallend” communicatiemateriaal in hun oren. Ik vermoed dat een bijzondere spreker de buiten opgestelde mirbar zal beklimmen, gezien de veiligheidsmaatregelen. Mijn vraag, aan een van de bewakers, wie de predikant met dienst is, brengt me bijna in moeilijkheden. In elk geval wordt ik van de ene naar de andere verantwoordelijke gebracht, tot er eindelijk iemand is die me in duidelijk Engels uitlegt wat er van de kwestie is: ik mag het gebed en de gelovigen niet fotograferen. De Imam moskee, daarentegen, mag wel gefotografeerd worden. De eindverantwoordelijke gaat zelfs mee tot in de zuidelijke nis om te demonstreren welke ingenieuze architect hier aan het werk geweest is, want als je op deze zwarte steen stampt, hoor je exact zeven echo’s.

‘Wie gaat er nu ook naar het vrijdaggebed? Oude mannen, functionarissen die niet anders kunnen en een enkele overtuigde.’

Ik zie later dat de mattenleggers van Isfahan te enthousiast geweest zijn, want de voorbereide gebedsruimte is allesbehalve volgelopen. ‘Dat verbaast me niet’, zegt de man die ik die namiddag ontmoet. ‘Wie gaat er nu ook naar het vrijdaggebed? Oude mannen, functionarissen die niet anders kunnen en een enkele overtuigde.’ Hijzelf gaat nooit naar het vrijdaggebed, al is hij wel moslim. Dat heeft hij heel goed beseft toen hij enkele jaren geleden op bedevaart was in Mekka en Medina. Hij kan dat niet goed uitleggen aan een niet-moslim, maar deelnemen aan de haj heeft hem echt diep geraakt. Maar in Iran heeft de klerikale politiek alle geloofwaardigheid van de voorgangers vernietigd. Daarom gaat hij liever naar de gym dan naar de moskee.

Met zijn afmetingen van 500 bij 160 meter is het Imam Khomeiniplein, in de volksmond nog steeds gekend als Maidan Naqsh-e Jahan, een van de grootste pleinen ter wereld. En een van de mooiste, weten de Isfahani, en daarom noemen ze deze plek ‘de helft van de wereld’.

‘De laatste keer dat deze ruimte helemaal vol volk stond, was toen ex-president Khatami hier in de aanloop naar de verkiezingen van 2009 kwam spreken over hervormingen en verandering. Van aan de Imam moskee tot aan de Isfahan bazaar.’ Hij geeft demonstratief de hele lengte van het plein aan met een wijdse armbeweging. Hij is ervan overtuigd dat verandering broodnodig is, maar gelooft niet meer dat die er via verkiezingen kan komen. Zelfs in 2009 liet hij de stembus voor wat ze was. ‘Mijn stem is dus niet gestolen’, zegt hij cynisch. Tot zijn eigen verbazing heeft hij wel deelgenomen aan de demonstraties achteraf. ‘Het optreden van de staat tegen de straat was onaanvaardbaar, daar moest ik me wel tegen verzetten.’

‘Waarom komt iemand uit vrije keuze naar Iran?, vraagt hij meteen na een gespierde handdruk waarmee we kennismaken op het prachtige Imam Khomeini-plein in Isfahan, de stad waarvan de schoonheid zo legendarisch is dat ze traditioneel omschreven wordt als ‘de helft van de wereld’. ‘Dit land is zo saai en vervelend dat iedereen eruit weg wil. Het leven hangt aan elkaar met verboden, beperkingen en represailles. Alleen wie echt rijk is of een hooggeplaatse vader in het systeem heeft, kan hier doen of laten wat hij wil.’

De striemende kritiek op de overheid en het autoritair-klerikale systeem verstomt als we de Rozentuin der Martelaren bezoeken. Een uitgestrekte begraafplaats van mannen, vrouwen en kinderen die sneuvelden in de oorlog tegen Irak (1980-1988) of later overleden aan de opgelopen verwondingen. Bij elke grafsteen staat een portret en een Iraans vlaggetje, de doden zijn georganiseerd per slagveld en militaire campagne, en in het midden staat een sober monument voor de onbekende soldaat.

‘Hier rusten de moedigen’, zegt hij opvallend zacht. Als ik vraag of hij zich ook zou melden als vrijwilliger, indien het vandaag tot een oorlog zou komen als gevolg van de internationale polarisatie rond het Iraanse atoomprogramma, antwoordt hij meteen en zonder twijfel ja. En dat is meer dan een opwelling: hij maakt zich dagelijks zorgen over die dreigende oorlog en heeft dus duidelijk al negedacht over die vraag. ‘Ik zou nog geen vinger uitsteken om de regering te steunen,’ verduidelijkt hij, ‘maar als je land aangevallen wordt, dan kan je niet aan de zijlijn blijven staan.’

Theologische kritiek op hoge hakken

Het licht van de late middag kleurt de koepel van de Sheikh Lotfollah moskee tot een dieper beige, bijna goud, waardoor de azuurblauwe tinten in de arabesken nog helderder verschijnen dan in het felle middaglicht. Het Imam Khomeiniplein is weer helemaal open, de matten zijn gerold, de spooks verdwenen. Overigens was er geen bijzondere gast en blijken de veiligheidsmaatregelen doordeweeks.

Op een arduinen zitbank bij de fonteinen zit een vrouw met chador, maar de losse manier om hem weg te draperen, verraadt al dat ze niet echt overtuigd is van de puriteinse moraal waarvoor het bolle, zwarte doek zou moeten staan. Haar jeans, hooggehakte laarsjes en modieuze pullover vertellen de rest van het verhaal, denk ik. Tot een babbeltje over snoep –de winketjes in de galerijen rond het plein puilen uit van zoetigheden- al snel muteert tot alweer een politiek gesprek. De wijdverspreide, maar vaak oppervlakkige systeemkritiek die vestimentair uitgedrukt wordt, combineert zij met een stevige kennis van de politieke evoluties en met een uitgesproken mening over de toekomst van haar land. Hààr land, niet dat van de zittende regering of van de Opperste Leider en zijn coterie van niet-verkozen machthebbers.

‘De parlementsverkiezingen van 2 maart zijn maar een vingeroefening’, zegt ze. ‘Er is geen echte strijd tussen meerderheid en oppositie, want de echte oppositie is onder huisarrest geplaatst en wordt incommunicado gehouden, en zelfs kritische stemmen binnen de conservatieve meerderheid worden door de Raad van Hoeders gediskwalificeerd. Al benieuwt het me wel om te zien hoe de krachtverhoudingen zullen zijn tussen het kamp van de Opperste Leider en het kamp van de huidige president. Want dat zal bepalend zijn voor de écht belangrijke verkiezingen van volgend jaar, als er een opvolger van Mahmoud Ahmadinejad gekozen moet worden.’

Hetzelfde geluid ving ik op in diplomatieke kringen in Teheran. Ook daar kijkt men steeds nauwer toe op het belangenconflict en de ideeënstrijd binnen het regime, nu de oppositie weer eens uitgeteld in de touwen ligt. Met daarbij de kanttekening dat ayatollah Khamenei, de Opperste Leider sinds het overlijden van ayatollah Khomeini in 1989, gezegd heeft dat Iran niet noodzakelijk moet vasthouden aan het huidige presidentiële systeem. Er komt misschien een grondige herziening die zowel het parlement opwaardeert als de Opperste Leider zichtbaarder maakt in het dagelijkse bestuur, nog voor de presidentsverkiezingen van juni 2013. Maar dat zal in niet geringe mate afhangen van de uitslag van de parlementsverkiezingen nu.

‘Het wordt moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen’, zegt ze. Eten en andere dagelijkse uitgaven zijn op korte tijd zoveel duurder geworden. Ik weet niet waar dat eindigt.’

Ze is sceptisch, als ik haar daarnaar vraag. ‘Het probleem is niet de president, ook al maakt Ahmadinejad er een potje van. Het probleem is de velayat-e-faqih.’ Die theologische ideologie werd door ayatollah Khomeini ontwikkeld, lang voor de opstand tegen de sjah, en plaatst een uitverkoren islamitische rechtsgeleerde bovenaan het staatsbestel en boven alle democratische instellingen en checks-and-balances.

Het is op die theologische basis dat de instelling van de Opperste Leider gebaseerd is, en dus ook het functioneren van de niet-verkozen, theocratische pijler van de macht in Iran, inclusief de Revolutionaire Wachten als een parallel leger dat alleen verantwoording verschuldigd is aan die Opperste Leider. Er is geen schijn van een kans, zegt ze, dat ayatollah Khamenei die onaantastbare machtspositie zelf in vraag zou stellen of afbreken. ‘En dus kan een hervorming van het politieke bestel alleen maar in de richting gaan van nog minder democratie en nog meer dictatuur.’

Ze wordt er niet vrolijk van, terwijl ze hier net kwam genieten van de relatieve rust, zeker nu de winter zorgt voor krokant frisse lucht en de toeristen nog niet massaal aanwezig zijn. Vrijdagnamiddag geeft haar wat tijd om bij te komen van de drukte van de week. ‘Het wordt moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen’, zegt ze. Eten en andere dagelijkse uitgaven zijn op korte tijd zoveel duurder geworden. Ik weet niet waar dat eindigt.’ Ze beseft wel, plots, dat er ook op vrijdagavond eten moet zijn, dat er thuis op haar gewacht wordt. Hoe anders het leven in Iran ook is, zo gelijkend kan het soms zijn. De vrouw vertrekt, haar chador wappert achter haar aan, als een van de zwarte vlaggen waarmee de sjiieten hun vermoorde imam herdenken.

De journalist onthult de ware agenda

‘Dit land wordt geregeerd aan het avondeten’, zegt de journalist. ‘Ouders nemen beslissingen in het belang van hun kinderen, en dat geldt ook voor de lokale commandant van de Revolutionaire Garde of de functionaris van de overheid. Er is in dit land niet veel ideologie meer over, maar iedereen klaagt wel, van hoog tot laag. En dus moeten ook de mannen die de macht vertegenwoordigen, dat geklaag thuis aanhoren. Dat vreet aan het systeem.’ Die familiale politiek, dat vindt hij best hoopgevend, want het belet de verabsolutering van de macht. En het voorkomt een Syrisch scenario waarin de macht overgaat tot grootschalige repressie en moorden. Dat ziet hij in Iran nog niet zo gauw gebeuren.

‘Het is niet eens dat de bevolking de omverwerping het systeem nastreeft, men wil eigenlijk vooral aanpassingen die ervoor zorgen dat het leven leefbaar wordt.’

Als het cliché wil dat journalisten buitenstaanders zijn, critici van hun eigen overtuigingen, dan is hij een exquise exemplaar van zijn beroepsgroep. ‘Het is niet eens dat de bevolking de omverwerping het systeem nastreeft, men wil eigenlijk vooral aanpassingen die ervoor zorgen dat het leven leefbaar wordt.’ Die stelling, dat nauwelijks iemand bereid is om een revolutie te ontketenen, hoor ik keer op keer bevestigd. De vorige revolutie heeft zoveel onheil over het land gebracht, dat er daarvoor echt geen appetijt meer is. ‘Maar het regime heeft zich zo in de hoek geschilderd, dat elke toegeving, elk compromis het bestaan zelf van de machtsstructuur bedreigt. Het regime van de Islamitische Republiek van Iran is een kaartenhuis dat instort zodra je er een kaart, ongeacht welke, tussenuit haalt.’

Gelooft hij dat de Iraanse regering met meer overtuiging en flexibiliteit gaat onderhandelen onder druk van de westerse sancties? Bijlange niet, ijsbeert hij door de kamer. ‘Wie gaat zich flexibel opstellen als hij bedreigd wordt en geen enkele kant meer uit kan? De manier waarop de internationale gemeenschap het conflict aanpakt, maakt elk compromis onmogelijk.’ En dat beseft men, volgens hem, maar al te goed.

‘De sancties zijn natuurlijk ook niet alleen bedoeld om kernwapenprogramma te voorkomen. Ze zijn een instrument om de controle over de hele regio en haar olierijkdom te verwerven. Alleen gehoorzame staten krijgen van de VS het recht om te bestaan, de andere moeten gebroken worden. Dat is de echte agenda. De Iraniërs, van hun kant, willen voor zichzelf en voor de wereld bewijzen dat ze technisch en bestuurlijk in staat zijn om kernenergie te bemeesteren. Als Pakistan dat kan, dan toch zeker ook Iran? Tegelijk reageren veel mensen met de vraag waarom de economie en de welvaart van een heel land in gevaar gebracht moet worden voor kernenergie schelen, die momenteel niet meer dan een fractie van de elektriciteitsvoorziening van de provincie Bushehr produceert?’

De ondernemer en het basisinkomen

Hij is van mijn leeftijd, en dat is aan zijn kruin te merken. Toen ik voor het eerst vader werd, zat hij tot over zijn oren in de revolutie. Begin 1979 was de sjah vertrokken en borrelde het land van ideeën, verwachtingen, tegenstellingen, onduidelijkheden en opportuniteiten. De politieke chaos zou snel de verkeerde afslag nemen naar een religieuze machtsgreep en een autoritaire staat. Toch kan je het leven niet tegenhouden. Hij kreeg op latere leeftijd kinderen en bouwde intussen ook een bedrijf uit met zo’n tachtig werknemers. Een uitstekende gesprekspartner, dus, om het eens wat grondiger over de economie te hebben.

‘De huidige crisis is niet zozeer het gevolg van buitenlandse sancties, of –zoals de president claimt- van speculanten en politieke tegenstanders, maar van slecht economisch beleid. De officiële wisselkoers is nu eenmaal niet in overeenstemming met de reële waarde van de munt.’ Op een week tijd schommelde de informele wisselkoers van een hoogtepunt van 23.000 rial voor een dollar naar 17.000 en 15.000 en terug naar 17.000. Zowat de helft van zijn grondstoffen importeert hij uit het buitenland, maar dat wordt hoe langer hoe ondoenbaarder met zo’n wild schommelende wisselkoersen. De regering besliste intussen om de officiële wisselkoers op te trekken van 11.000 naar 12.000 rial. ‘Maar dat is too little too late, we moeten volgens mij minstens naar 18.000 om te stabiliseren.’

‘De politici houden te veel van het podium. Ze willen veel te graag demonstreren hoeveel ze geven om de armen, maar tegelijk ondermijnen ze de economie waarvan iedereen afhankelijk is’

Het “slechte economische beleid” benoemt hij met een term die ook in het buitenland veel gebruikt wordt om de aanpak van president Ahmadinejad te beschrijven: populisme. ‘De politici houden te veel van het podium. Ze willen veel te graag demonstreren hoeveel ze geven om de armen, maar tegelijk ondermijnen ze de economie waarvan iedereen afhankelijk is. Met stijgende werkloosheid en armoede tot gevolg.’

In december 2009 besliste de regering om iedereen die dat wou een basisinkomen te geven. Daarmee wou ze het schrappen van een serie subsidies –onder andere op olieproducten- opvangen. Iedereen die zich registreerde voor die yaraneh –letterlijk: subsidie- krijgt sindsdien 45.000 rial per persoon en per maand op zijn rekening. No questions asked. In 2009 was die subsidie pakweg veertig dollar waard, in de week van mijn bezoek aan Iran nog dik twintig dollar. En de winkeliers doen die berekeningen wel degelijk, en vaak sneller dan de mensen beseffen.

‘Of het zo bedoeld is, weet ik niet’, zegt een journalist. ‘De beslissing om de oliesubsidie te vervangen door een basisinkomen voor elke Iraniër heeft met name de middenklasse getroffen en de armere bevolking geholpen. De echt rijken hoeven zich om die veertig dollar niet te bekommeren, de middenklasse verliest meer door het schrappen van de oliesubsidie dan wat ze kan winnen door de inkomenssubsidie, terwijl de armere gezinnen gemiddeld veel meer leden tellen en dus ook beduidend meer basisinkomen opstrijken.’

De koopkracht van de yaraneh wordt niet alleen onderuitgehaald door de snel verslechterende wisselkoersen en hun effect op de kleinhandelsprijzen, maar ook door de hollende inflatie die de regering zelf dit jaar schat op 20,6 procent. Maar mijn ondernemer is er zeker van dat dat een grove onderschatting van de realiteit is. ‘Het enthousiasme van de bevolking over die toelage is dus snel bekoeld, maar ook de overheid zelf komt stilaan in nauwe schoentjes. In het begin zouden zo’n 62 miljoen Iraniërs de toelage gekregen hebben, intussen zou dat opgelopen zijn tot 72 miljoen. Men vraagt nu dat de tien miljoen rijkste ontvangers vrijwillig afstand zouden doen van hun recht. En als dat niet werkt, zal men wellicht een inkomensgrens stellen aan het recht op de basistoelage.’ Zelf heeft hij al in 2009 belist dat het voor hem niet hoeft. Hij wil niet zomaar betaald worden door de overheid en hij heeft genoeg inkomen om zich die vrijheid te permitteren. 

Als kmo heeft hij echter ook te maken met de overheid, als klant. ‘De overheidsbedrijven of de semi-openbare bedrijven die werken met middelen van religieuze stichtingen zijn vaak de slechtste betalers. Ze betalen de geleverde goederen soms niet of pas na maanden wachten. Intussen moet je wel de lonen en je eigen leveranciers blijven betalen. Maar je staat machteloos tegenover deze bedrijven omdat ze het hele systeem achter zich hebben.’

In juni 2009 gaf hij zijn stem aan Mir Hussein Moussavi. Omdat het land hervormingen nodig heeft, politiek zowel als economisch. En omdat Iran dringend moet werken aan betere internationale relaties. Dan kunnen daarna de middelen in sociale noden geïnvesteerd worden in plaats van in militaire uitgaven of in een steeds groeiende overheid, en dan kunnen er eindelijk opnieuw buitenlandse investeringen komen. ‘Kijk naar Turkije. Dat land heeft de voorbije tien jaar een enorme sprong voorwaarts gemaakt, terwijl Iran –ondanks zijn enorme olierijkdommen- terplaatse blijft trappelen. Er zijn geen echt harde cijfers, maar meestal wordt de economische groei voor Iran op twee procent geschat. Dat is beschamend, toch?’

‘Het is alleen dankzij het oliegeld dat de mollahs meer dan dertig jaar aan de macht konden blijven.Wie de Iraanse macht wil breken, moet altijd de oliekraan dichtdraaien.’

Gelooft hij dat de westerse sancties kunnen helpen om die noodzakelijke ommekeer teweeg te brengen? In zekere zin, zegt hij, heeft Europa het juiste wapen gekozen: de olie-inkomsten. ‘Het is alleen dankzij het oliegeld dat de mollahs meer dan dertig jaar aan de macht konden blijven. Wie de Iraanse macht wil breken, moet altijd de oliekraan dichtdraaien. De sjah is ook pas gevallen nadat de olie-industrie plat ging door een staking.’ Maar hij heeft moeite met het discours van het Westen.

‘Hoe kunnen landen die zelf allemaal over kernenergie beschikken, en sommigen zelfs over een arsenaal kernwapens, nu argumenteren dat Iran géén kernenergie mag hebben?’ Maar hij er vooral een hard hoofd in. De kans is groot, gelooft hij, dat een of andere dag een conflict geprovoceerd wordt en dat de Iraanse defensie dom genoeg zal zijn om erop te reageren, waarna een grootschalige oorlog misschien onvermijdelijk is.

‘Telkens iemand uit mijn omgeving gearresteerd wordt of de regering weer eens uitpakt met een domme maatregel, vraag ik me af waarom ik eigenlijk in dit land leef. Waarom ben ik niet waar vrijheid een gewone zaak is? Maar hoe ouder ik word, hoe meer ik gehecht geraak aan mijn familie, mijn medewerkers en mijn land. Trouwens, wie emigreert, wordt daar ook niet altijd gelukkiger van. Iraniërs lijken op dit moment wel gedoemd tot eenzaamheid, binnen of buiten de landsgrenzen.’

De chauffeur is een vrouwelijke geus

‘Wij zijn moharebeh’, roept ze terwijl ze haar veel te kleine autootje door het helse verkeer stuurt. De andere inzittenden beantwoorden die lasterlijke taal –moharebeh verwijst naar mensen die god zelf bestrijden, het is een term die het regime gebruikt om mensen definitief te verwijderen- met stille schietgebedjes. Niet zozeer om de toorn van god af te wenden, dan wel om te vragen dat hij die aanstormende bussen en auto’s uit haar onvoorspelbare traject zou houden.

De enthousiaste vaststelling dat we zondaars zijn, komt aan het einde van een avond waarin inderdaad nogal wat regels van goede zeden overschreden werden. Twee mannen en twee vrouwen –met nergens een familieband te bespeuren- samen aan een tafeltje. Kletsen, schateren, uitdagen, dromen. En intussen bracht het ensemble met daf, thar, tombak en viool een mix van klassieke muziek, evergreens en hedendaagse songs –meestal liefdesliederen. Met hun instrumenten bloot! De Islamitische Republiek heeft nochtans verordend dat het tonen van muziekinstrumenten haram is, vandaar dat je dat aspect van de rijke en eeuwenoude Iraanse cultuur nooit op de Iraanse tv te zien krijgt.

De zesentwintigjarige flapuit komt –in elk geval Engelse- woorden tekort om de pracht van de Iraanse cultuur en geschiedenis te beschrijven. Haar liefde voor de muziek en poëzie en dus ook voor het vaderland is onuitputbaar, betoogt ze met felle gebaren en dito ogen -kohl is de rigeur in Iran en niet in geringe hoeveelheden, ik vermoed dat het tot de gesubsidieerde producten behoort.

De jonge vrouwen zijn geen van beiden van zuivere Perzische afkomst. De gepassioneerde heeft Koerdische ouders, haar meer bescheiden vriendin is Azerisch. De klassieke vergissing om Iraans gelijk te stellen met Perzisch is aan dit tafeltje dus geen optie. De niet-Perzische Iraniërs delen wel de trots om de Perzische antieke helden zoals Cyrus en Xerxes, en de Perzische Iraniërs hebben geen enkele moeite om een vooral Koerdische zanger als Sharam Nazeri tot hun eigen cultuurpatrimonium te rekenen. Of dat rooskleurige plaatje helemaal klopt, moet ik dringend eens natrekken.

Enkele kopjes thee later vertelt ze dat ze een aanvraag lopen heeft om een doctoraatstudie in een hier niet nader genoemd Europees land te doen. Gezien haar gedreven nationalisme, vraag ik of ze na de beëindiging van de studie meteen naar Iran zal terugkeren, om haar mooie land nog verder te verrijken. Maar daar is ze helemaal niet zo zeker van. Wat heeft ze hier tenslotte te zoeken? Welke toekomst heeft ze?

‘Ik kan niet zwijgen of doen alsof. En de kosten van eerlijkheid zijn in Iran heel hoog. Dat heeft niets te maken met de Iraanse cultuur, maar alles met de Islamitische Republiek.’

‘Ik kan niet zwijgen of doen alsof. En de kosten van eerlijkheid zijn in Iran heel hoog. Dat heeft niets te maken met de Iraanse cultuur, maar alles met de Islamitische Republiek.’ Ze illustreert die stelling met het verhaal over haar bijbaantje als leerkracht. ‘Ik was écht een hele goede leerkracht’, zegt ze en ze duwt haar vriendin aan die moet giechelen van zoveel zelfkennis.

‘Maar een jaar geleden werd ik geëvalueerd en moest ik een heleboel vragen over religie en politiek beantwoorden. Ik heb natuurlijk gezegd dat ik me tot het kamp van de Groene Revolutie rekende. De conclusie was dat ik niet mocht terugkeren voor de klas. Nu niet en nooit meer. Ik stond geboekstaafd als marxiste, zei de man. Waar haalt hij het?’ Dus: waarom zou ze terugkeren als ze de kans zou krijgen om elders te studeren en aan de slag te gaan?

Ik citeer een artikel dat een zekere G. Esfandiari schreef voor Radio Free Europe / Radio Liberty, waarin hij zegt dat jaarlijks 180.000 gestudeerde Iraniërs het land verlaten, wat Iran minstens 50 miljard dollar per jaar aan economische schade zou opleveren. Dat spijt haar zeer, natuurlijk. Maar wat kan zij eraan doen dat de president en zijn acolyten het leven onmogelijk maken voor wie geleerd heeft zelf te denken? Als ze emigreert, gelooft ze, verlaat ze alleen het regime, niet haar land, dat neemt ze gewoon mee. Het is deels jeugdige overmoed, deels diepe wanhoop. Maar om dat laatste te bedwingen, heeft ze zich nu op yoga gestort. En, zie: ze is er gelukkiger van geworden.

Net voordat we elkaar ontmoetten, had ze de eerste kennismakingsles yoga gehad.

***

Lees ook de politieke analyse van de nucleaire controverse en de oorlogsdreiging op www.MO.be

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

randomness