Op zoek naar de hemel, beland in de hel

Ethiopische migranten in Saoedi-Arabië: ‘Soms lig ik 's nachts te huilen’

© Aïda Muluneh

 

Habtamu heeft haar gezien in de rij. Melkam wacht net als honderden anderen op een buskaartje naar haar dorp, maar het is te laat om nog door te reizen. Bovendien is haar zus al haar bagage kwijt. Habtamu kust zijn vrouw op haar wang wanneer hij haar in zijn armen sluit. Enkwan lehagerachen abeqan – Godzijdank, we zijn thuis. Hij zat niet eens in hetzelfde vliegtuig als zij. Niemand had een vaste zitplaats toegewezen gekregen voor de vlucht. Het was gewoon zaak zo snel zoveel mogelijk vliegtuigen vol te stouwen richting Addis.

Dit had zelfs de Ethiopische overheid nooit voorzien. In drie maanden tijd vindt buiten de schijnwerpers van de internationale aandacht een van de grootste terugstuuroperaties in de recente geschiedenis plaats.

Het idee dat ze na al die beproevingen – slavenarbeid, verkrachting… – ook nog met lege handen moeten terugkeren is om helemáál gek te worden

De chaos op de internationale luchthaven in de hoofdstad Addis Abeba is totaal. Iedere dag komen er gecharterde vluchten uit Riad en Jeddah aan. Zwangere vrouwen worden door medisch personeel gecontroleerd. Kinderen gevaccineerd. Sommige teruggekeerde dienstmeiden zijn overduidelijk psychisch ziek en krijgen pillen. Het zijn niet alleen de verkrachtingen en het misbruik door smokkelaars en hun werkgevers. Het idee dat ze na al die beproevingen ook nog met lege handen terugkeren is om helemáál gek van te worden. Het is te laat om nog naar hun dorp in de provincie Noord-Wollo te reizen, vindt Habtamu. Ze slapen die nacht in een van de vele tenten die in en rond de luchthaven zijn opgeslagen.

De eerste keer

Habtamu en Melkam waren aan elkaar beloofd toen zij zes was en en hij zeventien. Ze komen allebei uit Milmil, een gehucht op een halfuur lopen van Dorogeber in de provincie Noord-Wollo. Zijn ouders hadden aanvankelijk Melkams oudste zus ten huwelijk gevraagd, maar Habtamu’s oog viel op de veel jongere en knappere Melkam.

De twee zullen zes jaar later huwen, zodra Melkams oudste zus ook getrouwd is, en blijven nog één jaar inwonen bij Habtamu’s ouders. Daarna betrekken ze samen een eigen woning en Melkam wordt zwanger. Ze bewerken de lap grond die Habtamu van zijn grootmoeder geërfd heeft. Het is voldoende om een leven lang in hun onderhoud te voorzien.
Hun huwelijksgeluk is van korte duur. Melkam is amper vijftien jaar oud en vijf maanden zwanger als Habtamu in 2005 in Saoedi-Arabië wil gaan werken. De overheid heeft na een wetswijziging zijn grond afgepakt en de percelen toegewezen aan een andere landbouwer en aan leden van de lokale clerus. 

‘Wie zal straks het eten betalen, nu wij geen akkers meer hebben om te boeren?’ roept hij vertwijfeld uit. Melkam is nog een kind en zwijgt als haar elf jaar oudere man tegen haar spreekt. ‘Luister, Melkam. Ik moet gaan. En geld verdienen. Jij blijft hier en krijgt het kind. Ik beloof dat ik je zal komen halen. En sturen ze mij terug, dan proberen we samen te emigreren. Ik laat je niet alleen in het dorp. Beloofd!’

Melkam is bang. Bang dat hij niet meer terug komt. Bang dat hij aanpapt met andere vrouwen. Bang dat hij haar geen geld zal sturen. ‘Als je vertrekt, moet je van haar scheiden’, briest zijn schoonmoeder. Ze wil Melkam niet voor de rest van haar leven opgezadeld zien met een kind zonder vader. ‘Jullie moeten maar hertrouwen wanneer je terugkomt. Als je terugkomt. En kom je niet terug, dan heb je aan Melkam een goede zus.’

Zo geschiedt. Het koppel scheidt uit de echt en kort nadien vertrekt Habtamu met Meseret, zijn jongere zus, en een paar vrouwen uit het dorp die ook willen emigreren. Habtamu’s familie is christelijk orthodox, maar toch doen ze zich voor als moslims. Hun voorwendsel bij de immigratiedienst is dat ze op oemra gaan, net als de hadj een pelgrimstocht naar Mekka. Eenmaal ter plaatse zullen ze langer blijven dan hun visum toelaat en met z’n allen in de illegaliteit onderduiken.

Zoals wel vaker gebeurt, betalen de vrouwen Habtamu een fikse som om hen te chaperonneren. Habtamu laat zich zelfs betalen voor zijn eigen zus en omdat hun ouders het geld niet hebben, moeten ze een lening aangaan, met een woekerinterest; binnen het jaar moeten ze tweemaal het geleende bedrag terugbetalen aan hun buren.

In Saoedi-Arabië kan Habtamu echter maar moeilijk werk vinden. Hij gaat aan de slag in een hotel van Arabieren. Hij zeult met koffers. Maakt kamers schoon. Veegt de gangen. Ruimt zelfs een maandverband op dat een hotelgast achteloos op de rand van een bad heeft laten liggen. Hij herinnert het zich als was het gisteren. De jonge Indonesische stond tot zijn verrassing plots weer in de badkamer, en merkte dat hij het gebruikte maandverband discreet had weggewerkt. Met een brede glimlach stak ze haar hand uit. Ze wilde hem 50 riyal geven. Toen hij de fooi aannam, raakte zij hem kortstondig aan. Haar echtgenoot, die ook weer binnen was gekomen, zag dat, ontstak in woede, greep haar bij haar haar en sleurde haar onder luide verwensingen de kamer uit. 

Ze was bloedmooi, herinnert Habtamu zich. Tegelijk voelde hij zich diep vernederd door het voorval. Hij was een man van het platteland. Hij had zelfs nog nooit een maandverband gezien. Moest hij nu jarenlang toiletten schrobben van vreemde vrouwen? 

Na amper een jaar in Saoedi-Arabië wordt Habtamu opgepakt en linea recta naar Addis teruggestuurd. Bij zijn aankomst thuis is hun dochter, Betelhem, negen maanden oud. Hij heeft Melkam al die tijd zelden gesproken, want een gsm had hij niet. De meeste Ethiopische migranten in Saoedi-Arabië kunnen tot 100 euro per maand naar huis opsturen, bijvoorbeeld om een zieke moeder te laten verplegen of mee te helpen belangrijke feesten te betalen, maar zelfs dat kan Habtamu niet. Hij heeft nauwelijks twee maanden betaald werk gehad.

‘Ezels’, ‘honden’

Een paar jaar later probeert hij het opnieuw. Ditmaal staat Melkam erop om hem te vergezellen, maar hij weigert. Hebben ze geen geld voor, vindt hij. Om zijn eigen reis te bekostigen, moet hij een tussenpersoon betalen. Hij vindt werk in een textielfabriek, waar schooluniformen gemaakt worden. 

Zijn werkgeefster, “sponsor” of kafil, heeft hem in de tang. Zij heeft het visum geregeld en de verblijfsvergunning of iqama, en is ook de enige die die kan verlengen. Sputtert hij tegen, dan kan ze hem gewoon laten uitzetten. Het kafala-systeem komt neer op moderne slavernij, maar Habtamu mag van geluk spreken.

© Aïda Muluneh

 

In amper twee dagen tijd beheerst hij de stikmachine en hij valt zeer in de smaak bij zijn Egyptische bazin, die hem beschouwt als haar zoon en hem zelfs geregeld iets te eten voorzet. Soms echt niet te vreten, maar Habtamu eet de met liefde bereide maaltijden braaf op. Net zoals hij ’s middags de salaat doet, het islamitisch gebed. Meer voor de vorm dan uit overtuiging, want eigenlijk verafschuwt hij de islam, sinds een islamitische geleerde hem verzekerd heeft dat zijn christelijke familie verdoemd is.

Hij verdient 1.800 riyal (zo’n 375 euro), 600 meer dan in het hotel, maar de lange werkdagen, van acht tot acht, zijn zwaar. Hij verlaat zijn kafil na onenigheid over een betaling, en gaat auto’s wassen, voor 50 riyal per wasbeurt. Voortaan is hij een wegloper, illegaal in het land.

‘Ezels’, ‘honden’, krijgen de autowassers naar het hoofd geslingerd van een enkele boze chauffeur. Habtamu riposteert in het Amhaars, maar is meegaand van aard en mijdt conflicten. Opnieuw zal hij echter worden uitgewezen en met lege handen bij Melkam terugkeren. Alle geld is opgegaan aan het visum, de iqama, zijn verblijf en de vliegkosten.

Nu wil Melkam zelf emigreren. Haar dochter Betelhem moet maar bij de grootouders blijven. Hij zwaait haar uit op de luchthaven. Ze gaat naar Koeweit. Pas na een week belt ze hem op. Hij is doodongerust. ‘Zorg alsjeblieft goed voor mijn vrouw’, vraagt hij in het Arabisch aan haar werkgever. ‘Melkam is nieuw. Toon haar hoe de dingen gedaan worden.’ Ze zou niet de eerste dienstmeid zijn die uit onwetendheid de schoenen van de familie in de koelkast stopt, en daarvoor afgeranseld wordt. ‘En laat haar alsjeblieft niet te hard werken.’ Mafi moesjkila, antwoordt de vrouw – geen probleem.

Daarop vatten Habtamu en zijn broer een helse voettocht aan door de woestijn, om via de Rode Zee en Jemen Saoedi-Arabië binnen te glippen. Van de ongeveer 800 Ethiopiërs die de reis ondernemen, zullen er tijdens de voettocht vijf omkomen door uitdroging. De jongens waren tussen 20 en 25 jaar oud. Habtamu vindt opnieuw werk in Jeddah, als autowasser.

De vlucht uit Mekka

Een jaar later belt Melkam hem op zekere dag op. ‘Ik ben in Saoedië’, zegt ze. Hij schrikt zich rot. Dat zit zo: haar werkgeefster is met de hele familie op bedevaart naar Mekka, en Melkam mocht mee. Ze is immers een deel van de familie geworden. Haar bazin is nooit hardvochtig geweest en eigenlijk mag Melkam haar. Maar ze moet wel koken en wassen voor een familie van tien en haar dagtaak is hels. Om 6 uur ’s morgens begint ze, pas om middernacht is ze klaar. En al zijn het eigenlijk niet de kwaadste mensen, Saoedi’s betalen wel beter, gaat het gerucht, en hier zijn de Ethiopische migranten ook veel talrijker. Melkam besluit ervandoor te gaan.

Net als miljoenen anderen hebben ze hun schoenen uitgedaan en begeven ze zich in de richting van de Kaäba. Het gebed begint net. Melkam gaat op in de mensenzee. Uniform en anoniem. Dit is haar kans. Niemand zal haar vlucht opmerken.

Met bonzend hart glipt ze weg. Ze stapt in de eerste beste taxi die ze vindt. De chauffeur is bang dat de vrouw gaat gillen en laat haar gratis meerijden, tot bij een winkel. Ze mag er gratis bellen, maar Habtamu neemt niet op. Een ander familielid, dat in Jeddah woont, antwoordt wel en belooft zo snel mogelijk een slaapplaats te regelen.

Ze is niet van plan zich bij Habtamu in Jeddah te voegen. Eerst wil ze nog een jaar werken bij haar oudere zus in Riad, 800 kilometer daarvandaan. Ze moet immers nog 13.000 riyal bijeenharken om de overtocht te betalen van haar jongere broer, eer ze voor eigen rekening mag werken.

Melkam is nu ook een wegloper. Maar via bemiddelaars vindt ze baantjes, en na een jaar heeft ze het geld inderdaad bij elkaar. Dan besluit ze naar Habtamu af te reizen. De flat in Jeddah waar hij op haar wacht, samen met zijn zus, is ruim en licht. Ze heeft drie kamers, er is televisie en stromend water zonder onderbreking. Eten is er in overvloed, net zoals in Koeweit. 

Habtamu is lang niet meer de panlat die hij vroeger was. En wat praat hij luid. Net als die andere Ethiopische mannen die een tijdlang in Saoedi-Arabië hebben gewoond. ’s Nachts bedrijven ze de liefde. Wat als ze opnieuw zwanger wordt? Moet ze het kind dan naar Ethiopië sturen, zoals de dienstmeiden hier vaker doen? Kinderen in plastic tassen, zo noemen ze die op het thuisfront. ‘In plaats van geld sturen jullie ons baby’s!’ Terwijl Melkam slooft als dienstmeid en om de paar weken vrijaf heeft en naar het appartement van Habtamu komt, zwelt haar buik langzaam op.

Solomon zal hij heten. Zoals de koning die over Israël regeerde en volgens de overlevering het bed deelde met de al dan niet fictieve koningin van Seba, de oermoeder van het Ethiopische keizerrijk. Vijf maanden later zal Melkam haar ongeboren zoon hartgrondig vervloeken.

De deportatie

In 2013 kondigt de Saoedische regering tot driemaal toe een ultimatum af voor de regularisatie van illegalen. Wie uiteindelijk tegen november 2013 niet vertrekt of zijn verblijfsstatus regulariseert, zal worden opgepakt. 

De Saoedische overheid had Ethiopië in 2011 nochtans gesmeekt om goedkope arbeidskrachten, nadat Indonesië en de Filippijnen een moratorium hadden ingesteld en hun landgenoten hadden teruggeroepen, wegens de grove schendingen van hun mensenrechten door de Saoedi’s, de lage salarissen en de onthoofding van een Filippijnse dienstmeid.

Op verzoek van Riad zette Ethiopië in 2011, zonder enige garantie voor zijn mensen, het licht op groen voor massale arbeidsmigratie

De Ethiopische regering had er geen been in gezien en zette, zonder bilaterale overeenkomst noch andere garanties, het licht op groen voor een massale exodus richting Jeddah en Riad. Duizenden Ethiopiërs vroegen een visum aan en uitzendkantoren en bemiddelaars schuimden stad en platteland af om gegadigden te ronselen, legaal én illegaal. Zelfs leerkrachten, gezondheidswerkers en ander overheidspersoneel gaven hun vast inkomen op om naar de Golf te verkassen.

Nu moeten alle illegalen eruit, heet het. De Arabische Lente is een van de verklaringen waarom de Saoedische overheid zenuwachtig wordt. Voor de deadline verstrijkt, vertrekken bijna een miljoen arbeidsmigranten uit Bangladesh, India, de Filippijnen, Pakistan en Jemen. Maar omdat vroegere ultimatums nooit echt gehandhaafd zijn, slaan de meeste Ethiopiërs het dreigement in de wind en besluiten ze te blijven. 

Ik ben proMO*

Met MO* zorgen wij voor écht nieuws over echte mensen in heel de wereld. Wil je ook ons unieke journalistieke project mogelijk maken? Word dan proMO*. Als proMO* word je lid van onze community, mag je gratis naar al onze events en kan je in dialoog gaan met onze journalisten. Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Geweldig! Ik word proMO*

Ditmaal is het de Saoedi’s echter menens. In het najaar van 2013 worden duizenden Ethiopiërs en andere migranten massaal opgepakt en afgevoerd naar detentiecentra. Daar zitten ze soms dagenlang zonder voedsel. Slaag en mishandeling zijn schering en inslag tijdens de massale razzia. De wegen zijn vol met bange mensen die op een bus richting luchthaven wachten. In het begin hebben ze nog koffers bij zich. Naarmate de deportatie vordert niet meer. Gestolen door bendes die de straten onveilig maken en zelfs de huizen binnendringen waar de Ethiopiërs verblijven. Er wordt verkracht en gemoord.

Habtamu is via Jemen het land binnengeglipt en maakt dus geen schijn van kans op regularisatie. Melkam is een wegloper. ‘We kunnen niet blijven’, zegt hij beslist. Melkam weet dat hij terug wil omdat ze zwanger is. Hij zou het niet kunnen aanzien hoe ze haar voor zijn ogen verkrachten. 

Slaag en mishandeling zijn schering en inslag tijdens de massale razzia. Door bendes wordt verkracht en gemoord

Wat verfoeit ze die nacht nu, waarop hij haar bezwangerd heeft. En wat moeten ze in godsnaam thuis beginnen? Ze heeft amper genoeg verdiend om haar broer te laten overkomen en Habtamu heeft nog maar net zijn schulden bij de mensensmokkelaars afgelost. Omgerekend 1.800 euro, maximaal, is alles wat hij aan hun buitenlandse avontuur zal overhouden.
Met tegenzin gaan Melkam, Habtamu, twee van zijn zussen en zijn broer zich aangeven bij het consulaat in Jeddah. Overal in en om het gebouw drommen duizenden Ethiopiërs samen. Ze wachten al dagen vergeefs op hun vertrek naar de luchthaven.

Families zijn moedeloos en verzwakt ineengezakt tussen koffers, plastic tassen en jengelende kinderen. Er wordt gevochten om eten en water. Dagenlang zwerft Habtamu’s familie van detentiecentrum naar detentiecentrum, met amper een laken om op te slapen, scharrelend om het hoogstnodige te bemachtigen.

Wanneer de Ethiopiërs het wachten beu zijn, besluiten ze een grote autoweg van Mekka naar Jeddah te blokkeren en bekogelen ze voorbijrijdende auto’s met stenen. De politie moet tussenbeide komen en belooft met de hand op het hart iedereen ’s anderendaags naar de luchthaven te brengen. 

© Aïda Muluneh

 

Habtamu en Melkam moeten in rijen gaan staan. Gewapende politieagenten pikken de eersten van elke rij eruit en gebaren dat ze de bus in moeten. Families raken gescheiden, maar wie protesteert mag achter in de rij weer aansluiten. Niemand geeft een kik.  

Kort daarop landen ze in Addis Abeba, samen met duizenden uitgezette of “vrijwillig” vertrokken illegalen uit Saoedi-Arabië. IOM, de Internationale Organisatie voor Migratie, geeft ze 30 euro voor een buskaartje naar huis, een stuk zeep, iets te eten en maandverband, als de vrouwen erom vragen. 

Met de blauwe kaart die ze bij hun vertrek in Jeddah hebben ontvangen, kunnen ze misschien later een stuk grond krijgen om te verbouwen. Maar dat zal ijdele hoop blijken. Wanneer Melkam thuiskomt heeft ze alleen nog de kleren die ze draagt, een dochter die ze lang niet meer gezien heeft en een ongeboren kind dat schopt in haar buik.

Gebed zonder end

Soms overtreft de werkelijkheid de fantasie. Helaas. Het verhaal van Habtamu en Melkam is niet verzonnen, en het is echt hún verhaal, geen compositie op basis van de wederwaardigheden van verschillende mensen. Ze wonen nu in Weldiya, de provinciehoofdstad van Noord-Wollo.

Samen met een Ethiopische antropologe, Kiya Gezahegne, heb ik hun relaas in 2018 opgetekend, na urenlange gesprekken met de betrokkenen zelf, hun familieleden en vrienden. Alleen hun namen zijn veranderd om hun privacy of veiligheid niet in gevaar te brengen.

In tegenstelling tot sommige stellen, waarvan de man met de noorderzon én het geld verdwenen is wanneer de vrouw thuiskomt na jaren werken, zijn Habtamu en Melkam nog altijd samen. Ze hebben echter geen eigen huis kunnen kopen, maar wonen in bij een nicht van hen.

In Weldiya zijn er weliswaar ook enkele succesverhalen te noteren, van teruggekeerde migranten die een huis, een restaurant, een winkel, een bajaj of motortaxi hebben kunnen kopen. Meestal blijkt het geld van de migranten echter ontoereikend. In net niet de helft van alle gevallen is het tijdens hun verblijf in de Golfstaten door de familie opgesoupeerd voor religieuze feesten, opgegaan aan de scholing of de verzorging van een familielid, of aan het verbeteren van het huis waarin de achterblijvers wonen. Aan de golfplatendaken en de betonnen muren in de wijk kan je trouwens snel merken wie een familielid heeft in het buitenland: nagenoeg iedereen.

‘Soms lig ik ’s nachts te huilen in mijn bed, als niemand mij hoort. Ik vertel Melkam niet hoe moeilijk het is om rond te komen’

Habtamu heeft aan zijn omzwervingen weinig of niets overgehouden. ‘In de woonkamer van iemand anders wonen is niet echt eervol’, zucht hij na uren praten. ‘Soms lig ik ’s nachts te huilen in mijn bed, als niemand mij hoort. Ik vertel Melkam niet hoe moeilijk het is om rond te komen.’

Melkam zorgt voor de kinderen. Het paar heeft intussen een tweede dochtertje. Habtamu struint door de straten van de hoofdstad, op zoek naar panden die hij kan helpen verhuren of verkopen. Dan strijkt hij een commissie op. Hij vult het gezinsbudget aan met de straatverkoop van teff, het basisingrediënt van het Ethiopische platte brood. Zo kwam hij ook aan de kost, in 2013, toen ze net waren teruggestuurd uit Jeddah.

Van steunmaatregelen die de Ethiopische overheid toen beloofde, onder meer gefinanceerd door de Europese Unie, is weinig terechtgekomen. Habtamu kreeg een opleiding tot boekhouder, maar toen hij aankwam met zijn blauwe kaart, die hem bij vertrek was uitgereikt, ving hij bot. Hij legde met een aantal vrienden een startkapitaaltje samen om een microkrediet te kunnen aanvragen, maar wist geen grond te bemachtigen, niet om op te bouwen, noch om te boeren. ‘Toen we protesteerden, werd ons verweten dat we oppositie voerden tegen de regering.’

Hun verhaal is een gebed zonder end. Helaas.

‘Arabische landen zijn achterlijk. De banen, de mensen. Werkdagen van twaalf uur of meer. Je houdt het niet voor mogelijk’

Uit enquêtes kort na de massale terugkeer in 2014 bleek dat 30 tot 60 procent van de terugkeerders van plan was opnieuw de oversteek naar Saoedi-Arabië te maken. De exodus gaat intussen gewoon door en het aantal geldoverboekingen dat Ethiopiërs naar huis sturen groeit elk jaar. Habtamu hoopt wel dat zijn kinderen nooit naar de Golf vertrekken. ‘Arabische landen zijn achterlijk. De banen, de mensen. Zelfs wij die erheen willen. Werkdagen van twaalf uur of meer. Dat hou je niet voor mogelijk. Als je al werk vindt. Nooit ofte nimmer zal ik Solomon naar Saoedi-Arabië sturen.’

Dit artikel werd geschreven voor het winternummer van MO*magazine. Voor slechts €28 kan u hier een jaarabonnement nemen!

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur