Spotten, kwetsen, beledigen, het hoort allemaal bij onze open, democratische samenlevingen

Ook de prent moet vrij zijn. Zoals het woord.

(c) Brecht Goris

 

Op maandag 3 juni laatstleden verscheen in de steengoede Nederlandse elektronische krant de Correspondent een lang en doorwrocht stuk van Lynn Berger. De titel luidde: De kracht van herhalen, herhalen, herhalen. Dat was al een jaar of tweeduizend bekend, allicht zelfs langer, denk aan Horatius’ Ars poetica, over de dichtkunst, regel 365: … haec deciens repetita placebit, dit zal, tien maal herhaald, behagen. Maar het mag nog eens worden … herhaald.            

In wat hieronder staat, wil ik uitdrukkelijk vervallen in herhaling, of het de lezer behaagt of niet. Daarmee zijn we meteen beland bij de kern van de zaak.

Steeds meer mensen eisen het heilige recht op om alles wat hun niet behaagt buiten te sluiten. Sterker, te verbieden. Niet zomaar te verketteren, je mag verwerpen wat je maar wilt, dat is een onverbrekelijk deel van de vrijheid van meningsuiting, het gaat echter veel verder. Het principe is: wat mij niet behaagt, mag niet bestaan. En ook: wat mij niet behaagt, kan alleen maar moreel verwerpelijk zijn, want ik ben een beter mens en ik weet wat goed en slecht is. U mag van die ikken een wij maken, het is zeker ook een groepsgebeuren.  

Ik ken een hele hoop dingen die mij mishagen, zowel binnen als buiten mezelf, maar bespaar me in vredesnaam veilige plekken waar niemand me mag tegenspreken.

In de Angelsaksische wereld zijn er al geruime tijd universiteiten die wat men noem safe spaces, veilige plekken, openen, waar geen enkel geluidje, piepje, luttel prutteltje mag doordringen dat de mensen binnen die safe spaces zou kunnen mishagen.      

Ik ken een hele hoop dingen die mij mishagen, zowel binnen als buiten mezelf, maar bespaar me in vredesnaam veilige plekken waar niemand me mag tegenspreken. Zullen akelige dingen wegfloepen omdat ze mij niet ter ore komen? Wie dat denkt, schakelt het eigen verstand uit.

Anderzijds lopen er mensen genoeg rond in onze kleine helft van ons kleine landje die mij allerlei vreselijke dingen hebben toegedicht en toegeschreeuwd, meestal uit de lucht gegrepen, maar dat doet er zelfs niet toe. Het is hun volste recht mij te bespotten en te beledigen. Aangenaam is anders, maar in dit aardse tranendal zijn wel meer dingen onaangenaam.   

Ik zal bij gelegenheid hartelijk mezelf uitlachen.

Eerste herhaling. Exact één jaar min één dag geleden schreef ik op deze plek: Kent iemand de stripreeks Krasse knarren van Lupano en Cauuet? Wie allang zin had om mijn generatie, de generatie ’68, eens luidkeels uit te lachen, lees die handel.                                   

Vorige week las ik in de krant en hoorde ik op de radio twee dingen die mij meer dan mishaagden. Ze hebben me hevig verontrust.

  1. Volgende maand verdwijnen de dagelijkse politieke spotprenten uit de internationale editie van de New York Times. De beroemde krant had een tekening overgenomen van de Portugese karikaturist António Moreira Antunes. Hij laat een blinde Donald Trump zien die zich laat leiden door een hond welke een treffende gelijkenis vertoont met de Israëlische politieke leider Benjamin Netanyahu. Davidsster en keppeltje zijn duidelijk zichtbaar. Antisemitisch, zo weerklonk het t’allenkant. De krant verontschuldigde zich en noemde de tekening beledigend. En besliste in één beweging om er maar helemaal mee op te houden, met die lastige cartoons.    
  2. In Brussel is er in kringen van lgtbq* mensen geprotesteerd tegen een kleurrijke schildering in de Lollepotstraat. Voor wie Brussel een beetje kent, dat is een krom straatje tussen de Plattesteen en de Kolenmarkt, laten we zeggen, in het centrum van het centrum van de centrumstad. Een onbekende hand heeft op de schildering de woorden transphobia en racism gespoten.  

De snel beledigden, de fanatieken, de rechten in de leer hebben in onze moderne democratieën de zware machthebbers van weleer van hun troon gestoten.  

Wat 1 betreft.

Een van de grootste en invloedrijkste kranten ter wereld, zo niet dé grootste, dé invloedrijkste krant, breekt dus met de traditie van oneerbiedigheid en kritiek waarin zij uitblonk, als sinds haar stichting, nu bijna honderd jaar geleden. De bredere traditie is ouder. In de Angelsaksische wereld kwam de eerste cartoon uit het legendarische Britse blad Punch, in 1843. In het Franse blad La Caricature  verschenen nog eerder de vier prenten van de geniale Honoré Daumier die de kersverse koning Louis-Philippe voorstelden als evoluerend naar de vorm van een peer. We schreven 1831. Daumier vloog een half jaar in de gevangenis. Buiten de pers reikt de traditie zelfs tot in de middeleeuwen. 

Ik vind ons Nederlandse woord spotprent duidelijker dan de equivalenten die ik gevonden heb in de andere talen die ik enigszins beheers. Ons woord zegt ondubbelzinnig waar het op staat. Het recht om al tekenend te spotten. Het recht om geen respect te hebben. Het recht om schaamteloze grappen te maken. Daarbij horen wij te beseffen dat wie durft te spotten, algauw wordt gehaat, veracht, vervolgd. Zie Daumier en hij is lang niet de enige. Door wie? Vroeger in dictaturen. Nu blijkbaar ook in democratieën. De snel beledigden, de fanatieken, de rechten in de leer hebben in onze moderne democratieën de zware machthebbers van weleer van hun troon gestoten.  

Tweede herhaling, een herhaling in drievoud nu.              

Op 26 maart 2018 schreef ik op deze plek, maar in 2010 en in 2012 had ik hetzelfde al eens geschreven andere plekken:

“Wie bepaalt wat kwetst? Wie bepaalt wat onnodig kwetsen is? Wie bepaalt de mate van onbegrip? Als je je daaraan overlevert, lever je je altijd over aan de meest onverdraagzame, aan de fanatiekste, aan de fundamentalist. Zij zijn het die zich overal en altijd gekwetst, beledigd, onbegrepen voelen. Zij zijn het ook die dat met luider stemme de wereld in schreeuwen. Hun tenen zijn kilometers lang. Hun lont is korter dan een millimeter.”

Zonder ergerlijke grappen, bijtende spot of grove beledigingen kan geen enkele democratie het redden.

Spotten, kwetsen, beledigen, het hoort allemaal onverbrekelijk bij onze open, democratische samenlevingen als zout water bij de zee. Zonder ergerlijke grappen, bijtende spot of grove beledigingen kan geen enkele democratie het redden. Ik zeg zeker niet dat het je dure plicht is te beledigen. Ik voeg er ten overvloede aan toe dat een democratie zonder fatsoen, terughoudendheid en begrip voor andere standpunten het evenmin kan redden, maar dit blijft. Dat een wereldwijd gezaghebbende krant uit een enorme democratie voortaan weigert tekeningen te publiceren die per definitie aanstoot kunnen geven, vind ik dus alarmerend.   

Daar bovenop komt dat de New York Times de overdonderende, vrijwel absolute culturele, economische, en dus ook politieke hegemonie vertegenwoordigt van het Angelsaksische taalgebied in de hele wereld. Op onze planeet zijn de Spaanse moedertaalsprekers tientallen miljoenen talrijker dan de Engelse moedertaalsprekers.          

Desondanks, indien een Spaanse of Argentijnse krant de onvergeeflijke stommiteit zou begaan om elke politieke spotprent te bannen, dan zou de invloed daarvan op andere kranten in andere taalgebieden vrijwel nihil zijn.

Ik ben proMO*

Met MO* zorgen wij voor écht nieuws over echte mensen in heel de wereld. Wil je ook ons unieke journalistieke project mogelijk maken? Word dan proMO*. Als proMO* word je lid van onze community, mag je gratis naar al onze events en kan je in dialoog gaan met onze journalisten. Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Geweldig! Ik word proMO*

De New York Times die zichzelf omvormt tot een soort safe space in de wereldpers, vormt zich om tot een gevaar voor de democratie. Want ook zonder tegenspraak, meningsverschil, botsende opinies kan geen enkele democratie het redden.

Wat 2 betreft.

Je moet weten dat Brussel trots mag zijn op zijn cultuur van muurschilderingen. Binnen de vijfhoek alleen al kun je er meer dan vijftig bezichtigen, van de eerste tot de laatste figuren uit stripverhalen. Daarnaast en daarbuiten vind je ze zo ongeveer op alle plekken van de stad, wondermooie, wilde, gewelddadige, seksueel expliciete, maar ook vrolijke en jolige. Het is niet de eerste keer dat onenigheid losbarst over zulke wandschilderijen. Ze zetten tot geweld aan, roept dan iemand, weg ermee! Uittredend minister Gatz heeft daar ooit eens op geantwoord: “Kunst is vrij. Verboden te verbieden.”  Gelijk heeft hij. Onverkort.

Want kijk, enkele jaren geleden kreeg de Duitse striptekenaar Ralf König van het Rainbow House de opdracht om in de buurt van de Brusselse gay-bars een muur te versieren. Geen probleem, König is in Duitsland en in andere landen al jaren bekend en geliefd dankzij zijn homo-strips. En dan ineens tagt iemand de woorden racism en transphobia op die prachtige, zotte tekening.

Een paar bedenkingen:          

  • Het bewijst eclatant wat ik herhaaldelijk schreef. De fanatiekste bepaalt de grens van het oorbare. Of wil toch die grens bepalen.
     
  • Iemand heeft gezegd dat König veel gedaan heeft voor de lgbtq*’s, maar werpt op: Wat heeft hij gedaan voor zwarten, transgenders en anderen die op bepaalde kruispunten in hun leven staan?” (DM, 13 juni 2019). Het is alsof je iemand die al jaren strijd voert tegen plasticvervuiling in de oceanen verwijt dat diezelfde persoon niet gestreden heeft tegen fijn stof in grote steden.
     
  • Herhaling, de zoveelste al. Ralf König vraagt zich af of men niet te politiek correct bezig is. Dit schreef ik hier op 3 december 2018: Poitiek correct is synoniem met censuur en als schrijver … weiger ik te buigen voor welke vorm van censuur dan ook, hoe deugdzaam ze zich ook voorliegt. In de loop der eeuwen heeft censuur zich altijd gehuld in gewaden van morele superioriteit. Altijd ten onrechte en altijd om andere, verborgen en allesbehalve moreel superieure belangen te dienen. Dat is vandaag niet anders.
     
  • En tenslotte. Ik leer een nieuw woord: transfobie. Het komt naast al die andere nieuwe fobieën. Islamofobie. Homofobie. Je hebt gynefobie. Arachnofobie. Agorafobie. Claustrofobie. Fobieën horen thuis in het hoofdstuk psychische aandoeningen volgens DSM-IV (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders van de American Psychiatric Association). Islamofoben en transfoben zouden dus psychisch ziek zijn. Ik wil er toch op wijzen dat in de Sovjetunie tegenstanders van de dictatuur opgesloten werden in psychiatrische ziekenhuizen. Wie tegenstand bood, was niet goed bij zijn verstand. Het bekendste maar lang niet enige voorbeeld is Nobelprijswinnaar Andrej Sacharov. De mensen die woorden als islamofobie, transfobie en dergelijke losjes in de mond nemen, dienen te beseffen in welke onderdrukkende en mensonterende traditie zij gaan staan.

Maar nu is het mijn beurt. Nu kan ik eindelijk eens de fanatiekeling uithangen. Nu kan ik de grenzen verengen tot elk vrij gebied eruit is geperst.

Niemand, niemand, niemand, heeft de figuur opgemerkt, ergerlijke karikatuur, schaamteloos beledigend, tot overmaat van ramp ook nog eens vrouwenhatend, ik bedoel de wanhopige, vrome kloosterzuster, vijfde van links op de tekening!?! Onmiskenbaar: kruis op de buik, kap, habijt, handen gevouwen tot gebed, ogen ten hemel. Belachelijk gemaakt. Bespot. Alleen gelaten met haar existentiële angsten. Sarrend is dat. Hardvochtig. Wreed. 

Ik heb nog nooit de spuitbus gehanteerd. Anders zou ik stante pede de trein nemen naar Brussel en daar vlammende letters gaan spuiten op het fresco in de Lollepotstraat: Katholikofobie!!!    

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver & voormalig journalist

    Geert van Istendael (°Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte. Hij werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening.

randomness